Over mij
Nieuws
mijn jeugd
informatie
Bubba
gedichten
creatie
psp
Foto's
kranten berichten
reacties
boeken


welkom op mijn site
Laat een berichtje achter via jdoorn1@chello.nl

 

Bron Anoiksis

 

Dubbele diagnose

We spreken van een 'dubbele diagnose' wanneer iemand behalve
aan een psychiatrische aandoening, zoals psychose of schizofrenie, ook aan verslaving lijdt.

Het woord verslaving moet in dit geval niet te letterlijk worden genomen, het gaat erom dat iemand
alcohol of drugs gebruikt op een manier die schadelijk is voor zijn gezondheid of functioneren.

Een min of meer volledig lijstje van produkten die tot problemen kunnen leiden:

Psycholeptica

  • alcohol (bier, wijn, likeur)

  • opiaten (opium, heroine, 'harddrugs')

  • sedativa, barbituraten, benzodiazepinen (slaapmiddelen)

  • vluchtige middelen (lijm, schoonmaakmiddelen

Psychoanaleptica

  • coffeïne (koffie, cola)

  • nicotine (tabak)

  • amfetaminen (speed)

  • cocaïne

Psychodysleptica:

  • marihuana

  • cactussen (mescaline)

  • party drugs (XTC, LSD, PCP, Angels Dust)

  • paddestoelen met psilocybine

In deze rij zijn koffie en marihuana de meest onschuldige drugs. Van de naar schatting 675.000 regelmatige marihuana-gebruikers in Nederland hoeft slechts 0,5 procent zich psychiatrisch te laten behandelen. Bij harddrugs gaat het om 25.000 gebruikers waarvan 85 procent psychiatrische hulp nodig heeft. Ter vergelijking: van de naar schatting 350.000 alcoholgebruikers is 6 procent alcoholist.

Oorzaken

Hoe komt het dat schizofrenie patiënten meer dan gemiddeld drugs of alcohol gebruiken?
Schizofreniepatiënten proberen op allerlei manieren om te gaan met de vreemde verschijnselen van hun stoornis. Omgaan in de betekenis van een 'verklaring geven' maar ook in de betekenis van 'verlichting krijgen'.

Verklaringen worden gevonden in godsgeloof, paranoide en andere wanen. Verlichting kan gevonden worden in bijvoorbeeld hardop lopen gillen in het midden van de nacht, maar ook in het gebruik van middelen die een 'verlichtende' werking hebben op het bewustzijn van de patiënt: alcohol en drugs.

Langdurig gebruik van drugs kan leiden tot psychiatrische symptomen - maar in de praktijk is het vaker zo dat een psychiatrische aandoening leidt tot (langdurig) drugsgebruik. Het heeft dus geen zin te denken "zou hij maar stoppen met die drugs, dan zou het probleem zijn opgelost".

Schizofrenie wordt niet door hard- of softdrugsgebruik veroorzaakt, hooguit kan het zo zijn dat drugsgebruik de schizofrenie eerder zichtbaar maakt. Wel komt het vaak voor dat schizofreniepatiënten veel drugs gebruiken. Met name van marihuana is vastgesteld dat het psychoses uitlokt of versterkt. 

Bron Anoiksis

Misverstanden

Er bestaan veel misverstanden rond schizofrenie, bijvoorbeeld
dat mensen met schizofrenie een gespleten of dubbele persoonlijkheid hebben.Dat is niet het geval.
Ook wordt gedacht dat mensen met schizofrenie agressief of gevaarlijk zijn. Dat kan natuurlijk voorkomen maar niet meer dan bij de rest van de bevolking.
Het gedrag van iemand die psychotisch is wordt door de mensen in de omgeving niet goed begrepen waardoor ze zich angstig en onzeker gaan voelen.
Verder dragen de media bij aan stigmatisering door in verslagen over gewelddadige incidenten expliciet te vermelden of het om een ‘schizofrene’ of ‘verwarde dader’ ging.
Mensen met schizofrenie zijn niet vaker dan gemiddeld dader, wel vaker slachtoffer.

bron Anoiksis

Schizofrenie in de kindertijd

Schizofrenie bij kinderen onder de 12 jaar is extreem zeldzaam.

Geschat wordt dat het bij 1 op de 40.000 kinderen voorkomt.
Van jongeren tussen 13 en 19 jaar krijgt 0,5% een psychose. Bij de helft van hen betreft het een schizofrene psychose. Schizofrenie openbaart zich bij mannen meestal tussen het 15e en 25e levensjaar, bij vrouwen gemiddeld 5 jaar later. Daardoor zijn bij jongeren twee keer zo veel jongens psychotisch als meisjes.
Wanneer kinderen of adolescenten een psychose krijgen lijkt deze in veel opzichten op die van volwassenen maar de leeftijd kan verschil maken. De voortekenen worden meestal gekenmerkt door achteruitgang in schoolse vaardigheden, sociale terugtrekking, gedesorganiseerd en/of ongewoon gedrag, toenemende moeilijkheid om dagelijkse taken uit te voeren, afname in zelfverzorging, bizarre eetgewoonte en hygiëne, verandering van de gemoedstoestand, gebrek aan impulsbeheersing, vijandigheid, agressie en lusteloosheid. In sommige gevallen is het moeilijk om een verschil te zien tussen ‘gewoon adolescentengedrag’ en iemand met een beginnende psychose. Kenmerkend is vooral de dalende lijn in het functioneren.
Bij jongeren met een psychose is er vaak sprake van minder duidelijk geformuleerde wanen, minder auditieve hallucinaties en betreft het vaker een psychose van het gedesorganiseerde of ongedifferentieerde type dan bij volwassenen.
Alarmsymptomen zijn een teruggang in functioneren op verschillende levensgebieden waarbij met name sociaal isolement belangrijk lijkt.

Risicofactoren
De risicofactoren zijn bij kinderen grotendeels dezelfde als bij volwassenen.
Genetisch: De kans op schizofrenie is verhoogd bij jongeren met een eerstegraads familielid met schizofrenie. De gemiddelde kans dat iemand tijdens zijn leven schizofrenie ontwikkelt wordt geschat op 0,8% maar bij kinderen van een ouder met schizofrenie is dit vermeerderd tot bijna 13%. Genen zijn belangrijk maar bepalen niet alles. Het lijkt er steeds meer op dat er een interactie is tussen genen en omgevingsfactoren.
Omgevingsfactoren: Veel stress of stressvolle gebeurtenissen kunnen een effect hebben op het ontwikkelen van een psychose zoals: problemen voor en bij de geboorte, trauma in de kinderleeftijd, leven in een etnische subgroep of het opgroeien in een stedelijke omgeving.
Gebruik van cannabis wordt vaak gezien als een risicofactor. Onderzoek toont aan dat cannabis de kans op schizofrenie aanzienlijk verhoogt en zelfs verzesvoudigd! Vroeg beginnen met blowen verhoogt dus ook de kans op schizofrenie op jonge leeftijd.

Prognose
In het algemeen geldt dat hoe eerder schizofrenie begint hoe slechter de prognose.
Andere factoren die een minder gunstig beloop voorspellen zijn een sluipend begin, langere duur van een onbehandelde psychose, schizofrenie in de familie, meer negatieve symptomen en afwezigheid van uitlokkende factoren.
Het gaat hier om statistische verbanden. Op individueel niveau zijn uitzonderingen mogelijk.

Behandeling
Hoe sneller en adequater de behandeling, hoe groter de kans op een beter beloop.
In principe volgt de behandeling van psychose bij jongeren dezelfde principes als bij volwassen, namelijk een combinatie van medicatie, voorlichting en psychosociale interventies.
Bij jongeren is het betrekken van het gezin belangrijk. Psycho-educatie kan de patiënt en de familie helpen de stoornis te accepteren, risicofactoren te verminderen (bijvoorbeeld stoppen met blowen en uitzoeken wat persoonlijke stressbronnen zijn) en een plan te maken voor de toekomst. Psycho-educatie kan individueel, in groepsverband of in gezinsverband worden aangeboden.
School en opleiding is ook een belangrijke factor en vaak is er discussie nodig over welke informatie de school nodig heeft om de jongere goed te kunnen begeleiden.
Cognitieve gedragstherapie (CGT) is een steeds vaker ingezette interventie bij jeugdigen met psychose. Het kan effectief zijn wanneer medicatie onvoldoende helpt bij wanen en hallucinaties.
Jongeren vinden het belangrijk dat er aansluiting is bij hun leefwereld en dat ze steun hebben van hun vriendenkring.

Preventie
Over preventie nog niet zo veel bekend. Het is wel onderwerp van onderzoek.
Er zijn aanwijzingen dat het gebruik van visolie (EPA en DHA) in de puberteit de kans op psychose vermindert. Maar ook de sociale omgeving speelt een belangrijke rol

 

10 Mythes over mensen met psychische stoornissen

1.    Het is aanstellerij

Psychische stoornissen worden nogal eens onderschat. De ervaring leert echter dat het vaak om chronische en ongeneeslijke aandoeningen gaat, die het verdienen om serieus genomen te worden. Naast omstandigheden spelen erfelijke factoren vaak een rol, soms zelfs de hoofdrol. De hersenchemie van de cliënt kan behoorlijk uit balans zijn geraakt. Net als bij suikerziekte of een leveraandoening, is er sprake van een orgaan dat niet werkt zoals het zou moeten.

2.    Het komt weinig voor

Een kwart van de bevolking heeft een psychische ziekte. En dan gaat het niet alleen om zware psychiatrische stoornissen, zoals schizofrenie, maar ook om bijvoorbeeld depressie, angststoornissen en ADHD. Veel mensen met een psychische aandoening schamen zich voor hun ziekte, en lopen hun hele leven op hun tenen om het voor anderen te verbergen. Terwijl contact met lotgenoten juist voor herkenning en opluchting kan zorgen. Als het probleem bespreekbaar is geworden, blijkt ook vaak dat er goede behandelmogelijkheden zijn.

3.    Ze hebben het aan zichzelf te danken

Het idee dat mensen met een psychische stoornis eigenlijk gezonde mensen zijn die zich niet normaal 'willen' gedragen is diepgeworteld. Maar stel dat we mensen met andere handicaps ook zo zouden behandelen. Dat we tegen een blinde zouden zeggen: "Je moet beter uit je doppen kijken!"

Het is schrijnend om iemand zijn eigen ziekte ook nog zelf aan te rekenen. Het zou voor de zieke veel prettiger zijn als de omgeving kennis zou hebben van wat de ziekte feitelijk teweegbrengt, en hoe je hem het beste zou kunnen ondersteunen.

4.    Ze zijn dom, zwakbegaafd of ontoerekeningsvatbaar

Maar een klein deel van de psychische stoornissen gaat ten koste van de verstandelijke vermogens. Het leeuwendeel van de mensen met een psychische stoornis heeft een goed besef van zichzelf en zijn situatie, heeft beschikking over al zijn verstandelijke vermogens en is normaal of bovengemiddeld intelligent.
Wat dat betreft is het niet anders dan het missen van een arm of een been: iemand met een psychische stoornis heeft een beperking, maar afgezien daarvan is het een volledig capabel individu. Soms vraagt hun handicap om een specifieke vorm van hulp. En begrip helpt altijd.

5.    Ze veroorzaken meestal overlast

Mensen met een psychische stoornis komen in de media vaak pas in beeld als ze door hun stoornis overlast veroorzaken. Toch zijn deze opvallende problemen niet representatief voor het merendeel van mensen met psychische stoornissen. Het gaat immers om een kwart van de bevolking. De meesten daarvan lijken min of meer normaal te functioneren. Ze hebben een baan, doen het huishouden, voeden kinderen op, zijn actief in verenigingen, enzovoort. De psychische stoornis uit zich echter in de vele beperkingen die het met zich meebrengt in het dagelijkse leven. Individuen en gezinnen proberen dat in eerste instantie vaak zelf op te vangen, en dat is een zware opgave.

6.    Het is een tijdelijk probleem, het gaat wel weer over

Omdat het verloop van psychische stoornissen nogal eens wisselt, ontstaat bij de omgeving het idee dat het een eenmalig iets is dat wel weer overgaat. Ook de zieke zelf heeft er vaak moeite mee dat goede en slechte tijden elkaar opvolgen.

Gezonde mensen hebben een hoop veerkracht; iemand met een psychische ziekte moet dat missen. Gezonde mensen hebben 'ook wel eens wat', maar hebben de capaciteit om dat na verloop van tijd te overwinnen. Voor iemand met een psychische aandoening kan een schijnbaar kleine aanleiding er al toe leiden dat hij langdurig uit balans raakt. Hij heeft een chronisch probleem, waar hij voor de rest van zijn leven rekening mee zal moeten houden. Hij wil wel net zo flink zijn als de rest, maar zijn hersens laten hem in de steek.

7.    Je moet er geen aandacht aan besteden

Veel mensen verkeren in de veronderstelling dat psychische problemen voor een deel problemen zijn die zichzelf oproepen: hoe meer je er mee bezig gaat, hoe erger het wordt. En omgekeerd, dat als je het probleem maar zo goed mogelijk negeert, dat het dan 'vanzelf' weer overgaat.
Helaas werkt dat vaak averechts. Psychische problemen zijn echte ziektes, en vaak nog vrij ernstige ziektes ook. Het verwaarlozen van een ziekte leidt tot verergering, niet tot verbetering. Mensen met een psychische ziekte kunnen redelijk goed functioneren in de maatschappij als ze hulp krijgen die precies past bij de aandoeningen die ze hebben. Bij verwaarlozing van de problematiek is er een reële kans dat de zieke van de wal in de sloot raakt.

8.    Er zijn toch medicijnen voor?

Er bestaan geen medicijnen waarmee een psychische stoornis kan worden genezen. Medicijnen voor psychische stoornissen werken als een prothese: ze ondervangen voor een deel een defect in de hersens van de lijder. Ze dempen de klachten. Als ze al werken, want bij een deel van de mensen werkt geen enkel medicijn. En vaak is het niet meer dan een noodoplossing om het leven dragelijker te maken.
De zieke is vaak voor de rest van zijn leven op de medicijnen aangewezen: zodra hij er mee zou stoppen, komen de symptomen terug. Soms zelfs in verergerde vorm. Vergelijk het met een suikerpatiënt die zijn leven lang insuline nodig heeft.
Een extra probleem dat kleeft aan het gebruik van medicijnen is dat ze vaak zeer hinderlijke bijwerkingen hebben. De keuze is dan tussen ziek zijn van de stoornis of ziek zijn van de pillen.

9.    Ze hebben geen maatschappelijk nut

Het grootste deel van de psychisch zieken is niet zo zwaar gehandicapt dat zij niet actief aan de maatschappij deel kunnen nemen. Integendeel, de meesten van hun zijn actieve burgers, die hun steentje bijdragen. Er zitten zelfs Nobelprijswinnaars tussen. Zolang ze voldoende steun krijgen om de gebreken die hun stoornis met zich meebrengt te compenseren, kunnen ze redelijk goed functioneren als partner, ouder, werknemer en soms zelfs als werkgever.

We zouden eens meer integraal over de maatschappelijke rol van mensen met een psychische aandoening moeten denken. De wil om te werken ontbreekt niet. Maar het is nu te vaak het geval dat iemand wordt afgewezen vanwege zijn handicap. En omgekeerd: mensen die zich nuttig maken in onbezoldigd werk, zoals mantelzorg, worden juist weer een onwillig arbeidscircuit in gepusht. Met een beetje flexibiliteit kan soms veel maatschappelijke winst geboekt worden.

10. Als ze weer beter zijn, is hulp niet meer nodig

Maar al te vaak stopt de behandeling omdat het aantal sessies een bepaalde limiet heeft bereikt, en wordt men genezen verklaard ... omdat de behandeling is gestopt. Psychische aandoeningen zijn echter vaak chronische condities. Behandelcentra zijn veelal uitsluitend op het behandelaspect gericht, maar laten verstek gaan bij de nazorg. Daardoor dreigt dikwijls de investering die in een cliënt gedaan is, weer verloren te gaan.  Ook in het re-integratiecircuit is het gat tussen 'ziek' en 'gezond' te groot. Een psychisch zieke zit juist vaak levenslang in het grijsgebied tussen 'volledig uitgeteld' en '100% fit'. 

 

Waar cliënten behoefte aan hebben, is maatwerk en balans. Daarmee kunnen we er voor zorgen dat we het maximale uit onze zieke medemensen halen tegen de minste kosten. Als iemand eenmaal in de put is afgegleden, is het te laat om deze te dempen!

bron ggz.

Sexueel misbruik en incest

In ons land waar alles bespreekbaar is en er geen onderwerp geschuwd word op de televisie is er nog steeds een taboe op seksueel misbruik. Ik zie u nu verbaasd kijken en denken welnee dat komt toch vaak genoeg op het nieuws, de actualiteit programma's en in de kranten. Als een zwemleraar, een docent, een coach, of een kleuterleider seksueel misbruik pleegt word dit overal en uitgebreid besproken. We zijn met ons alle zeer verontwaardigd en hebben allemaal een zeer sterke mening erover. Grote recherche teams worden samengesteld alles word tot de bodem uitgezocht en we worden via alle media uitgebreid op de hoogte gehouden, de hulpverlening word gestart voor kinderen en ouders.

Maar leest u ook wel eens de zeldzame berichtjes op pagina 6 in de krant vader veroordeeld voor incest? Voor al deze kinderen geen grote recherche teams, geen grote media aandacht, vaak zelfs geen directe hulpverlening. Heeft u enig idee hoeveel zaken er op de planken liggen? En hoeveel kinderen er elke dag dit moeten ondergaan zonder dat iemand daar aandacht voor heeft? Vaak nauwelijks te bewijzen zaken omdat de enige getuige vaak de dader is, omdat alles in huiselijke besloten kringen gebeurt, omdat de omgeving hun ogen sluit en ineens niet meer zo sterk verontwaardigd is, omdat de dader een gewone huisvader, oom of opa is die gewoon elke dag naar hun werk gaan, sociale contacten heeft en toch heel leuk met zijn dochtertje omgaat zover wij kunnen zien.Weet u hoeveel kinderen op dit moment heel eenzaam hun strijd leveren? Niemand hebben om tegen te praten, niemand die naar hun wil luisteren, niemand hebben die ze troost, bescherming en liefde geeft.

Wat is seksueel misbruik

Als iemand gedwongen wordt seksuele handelingen uit te voeren, te ondergaan of daar getuige van te zijn, noemen we dat seksueel misbruik. Dit gaat vaak tegen jouw zin in en jij voelt je er niet prettig bij. Seksueel misbruik komt voor bij meisjes en jongens. De dader kan iemand zijn die je niet kent, maar vaak ook wel. Misschien zie je de dader wel vaker en ben je bang dat het vaker gaat gebeuren. Seksueel misbruik is strafbaar.

Wat is incest?

Als het misbruik in je gezin plaatsvindt, dan heet dat incest. Dit kan voor veel schaamte zorgen. Waardoor je het heel lastig vindt om er met iemand over te praten. Vaak laten slachtoffers van incest wel dingen merken, bijvoorbeeld door heel stil te worden, of juist snel heel boos te zijn, maar pikken de mensen er omheen die signalen niet op.

Wat zijn de gevoelens bij seksueel misbruik?

Misbruik kan gevoelens van onmacht, boosheid, ongeloof en teleurgesteld zijn in jezelf oproepen. Het vertrouwen in jezelf wordt kleiner. Je krijgt een benauwd gevoel en je kan jezelf vies gaan voelen. Vaak ga je ook twijfelen aan jezelf, wat heb ik mis gedaan, hoe had ik het anders kunnen doen. Belangrijk om te weten dat het niet te laat is om er iets aan te doen, en het juist belangrijk is om er iets aan te doen.
Bij seksueel misbruik is er vaak sprake van een loyaliteitsconflict. Dat betekent dat je loyaal bent aan iemand die je ook misbruikt, je zit als het ware gevangen in de situatie. Aan de ene kant wil je het stoppen, maar dat kan dat betekenen dat je iemand pijn doet. Die keuze zorgt er vaak voor dat seksueel misbruik lang kan door gaan.

Hoe vaak komt seksueel misbruik van kinderen voor?

Uit landelijk onderzoek blijkt dat ruim vijftien procent van de vrouwen voor het zestiende levensjaar een negatieve seksuele ervaring heeft meegemaakt met een familielid. Iets meer dan de helft van deze slachtoffers is ernstig misbruikt: er waren herhaalde (pogingen tot) verkrachtingen, er werden andere ingrijpende seksuele handelingen afgedwongen of er was sprake van verschillende daders.
In eenderde van de gevallen was het een eenmalige gebeurtenis, bij eenderde deel ging het om meer dan vijf keer en bij het resterende deel om veel voorkomende gebeurtenissen over een lange periode. De daders waren voornamelijk vaders, oudere broers en ooms. Een procent van de (mede-)plegers was vrouw.
Daarnaast is 24 procent van de vrouwen in hun jeugd geconfronteerd met (meestal eenmalig) seksueel misbruik door iemand die niet tot de familiekring behoorde: een oudere jongen, een onderwijzer, een buurman, de vader van een vriendinnetje, een volwassen vriend van het gezin of een onbekende man. In bijna de helft van deze gevallen deed de dader een poging tot verkrachting of dwong het slachtoffer tot masturbatie.
Als we de gebeurtenissen binnen en buiten de kring van familie combineren, blijkt dat bijna 40% van de vrouwen voor het zestiende jaar een of meer ervaringen met seksueel misbruik heeft gehad. De meest voorkomende leeftijd waarop misbruik vaak voorkomt ligt tussen de acht en twaalf jaar.
Naar seksueel misbruik van jongens is in ons land nog geen landelijk onderzoek verricht. Buitenlandse studies tonen aan dat drie tot negen procent van de jongens misbruikervaringen kent, meestal gepleegd door mannen buiten de kring van familieleden. Het aantal misbruikzaken dat het openbaar ministerie behandelt is de laatste jaren redelijk stabiel. Het gaat om ongeveer 2050 tot 2350 zaken per jaar (gerekend tussen 1992 en 2000).

Welk seksueel misbruik van kinderen komt voor?

Er is een grote variatie in aard en ernst. De volgende indeling is te maken:

• Licht misbruik: een eenmalig incident van relatief ‘onschuldig’ karakter zoals betasting van de geslachtsdelen boven of onder de kleding. De dader gebruikt geen dwang, maar het kind ervaart het wel als ongewenst.

• Matig misbruik: eenmalige of meermalige betasting van de geslachtsdelen onder de kleding of masturbatie in bijzijn van het kind. Het kind is in geringe mate afhankelijk van de dader (bijvoorbeeld de jeugdleider). Die oefent geen lichamelijke dwang uit, maar zet het kind wel onder druk of vraagt het om geheim te houden.

• Ernstig misbruik: (pogingen tot) penetratie of wederzijdse masturbatie. Het kind is afhankelijk van de dader. Het misbruik houdt minimaal een jaar aan. De dader gebruikt lichamelijke dwang of psychische manipulatie.

• Zeer ernstig misbruik: meermalig, langdurig seksueel misbruik (penetratie), dat minimaal een jaar aanhoudt. Het kind is afhankelijk van de dader. Die chanteert het kind of gebruikt lichamelijk geweld

Wat zijn de gevolgen van seksueel misbruik voor kinderen?

De gevolgen op korte termijn variëren in ernst en kunnen geestelijk of lichamelijk van aard zijn:

• Kinderen die licht misbruik hebben meegemaakt vertonen meestal geen symptomen. Datzelfde kan ook gelden voor kinderen die ernstiger zijn misbruikt maar de ruimte hebben om zich te herstellen of die door ouders of de niet-misbruikende ouder goed worden opgevangen. Van alle kinderen met een misbruikervaring vertoonde volgens verschillende onderzoeken tussen de 21 en 49 procent geen opmerkelijk gedrag in de periode kort na het bekend worden van het misbruik. De nadelige gevolgen kunnen ook pas na vele jaren opgemerkt worden.

• Kinderen die een matige misbruik hebben meegemaakt, zijn vaak in meer of mindere mate van slag. Hun gevoel van vrijheid is aangetast. Ze zijn bang voor situaties die lijken opde misbruiksituaties. Bijvoorbeeld het kind wil niet aangeraakt worden of durft zich tijdens de gymles niet omtekleden. Deze kinderen zijn meestal somber en ontwikkelen zich sociaal gezien langzamer dan normaal.

• Kinderen die ernstig zijn misbruikt, hebben vaak lichamelijke klachten en letsels en vertonen soms seksueel gedrag dat niet past bij hun leeftijd. Jongens worden vaak brutaal, agressief of overactief. Meisjes daarentegen worden meestal bang, klappen dicht, raken depressief, apathisch (onverschillig, onaandoenlijkheid, lusteloos) en hebben in niemand meer vertrouwen, ook niet in zichzelf. Ze vinden zichzelf slecht, vies en voelen zich schuldig.

• Kinderen die zeer ernstig zijn misbruikt, hebben naast de boven genoemde gevolgen ook vaak last van een psychisch trauma. Het waren voor de kinderen immers heel bedreigende ervaringen. Ze hebben vaak nachtmerries, slaapproblemen, paniekaanvallen, problemen met lichaamsbeleving, geheugen- en persoonlijkheidsproblemen.

Veel symptomen zijn niet alleen het gevolg van seksuele contacten, maar hebben ook te maken met andere problemen die het kind belasten: de druk tot het geheimhouden van het misbruik die door de dader werd afgedwongen en het gevoel van medeplichtigheid dat het kind werd opgedrongen. Bij seksueel misbruik binnen het gezin zijn extra nadelige gevolgen als het kind of de jongere misbruikt wordt door de vader en als er sprake is van langdurige en ernstig verstoorde relaties in het gezin, lichamelijke mishandeling, emotionele verwaarlozing door de ouders of een crisis die in het gezin ontstaat nadat het misbruik is uitgekomen.

De gevolgen zijn ook ernstiger als:

o de contacten op jongere leeftijd (jonger dan twaalf jaar) hebben plaatsgevonden;
o het kind zich moeilijk kon onttrekken aan de seksuele contacten;
o de pleger een familielid was in plaats van een vreemde;
o het misbruik lang aanhield;
o dwang, chantage of geweld werd gebruikt;
o bij het misbruik sprake was van penetratie;
o de ouder(s) het kind onvoldoende hebben gesteund roen het misbruik bekend werd

Bij de helft tot tweederde van alle kinderen verminderen de symptomen aanzienlijk in het eerste anderhalf jaar na het stoppen van het misbruik. Bij 10 tot 24 procent nemen de symptomen echter toe in die periode.

Wat zijn de gevolgen van seksueel misbruik op latere leeftijd?

Kinderen die zijn misbruikt, kunnen daar ook op volwassen leeftijd nog gevolgen van ondervinden, vooral als er in die tijd niet goed op gereageerd is. Volwassenen die in hun jeugd als incident te maken kregen met licht misbruik hebben geen grote kans op latere problemen. Volwassenen die in hun jeugd ernstig, langdurig misbruikt zijn kunnen klachten krijgen op vier gebieden:

1. Psychische klachten. De angst die het kind als slachtoffer heeft meegemaakt kan zich later uiten in angsten, paniekreacties, depressiviteit en slaapproblemen. Die reacties treden vooral op in situaties die lijken op de vroegere gebeurtenissen. Bijvoorbeeld, er niet tegen kunnen ergens alleen te zijn en bang zijn achtervolgd te worden.
2. Relationele problemen. Een kind dat zich gebruikt en verraden voelt door iemand van wie het afhankelijk was, kan op latere leeftijd anderen nog maar moeilijk vertrouwen. Dat gaat gepaard met gevoelens van machteloosheid, onzekerheid, nietswaardigheid en eenzaamheid. Soms kan dat leiden tot problemen bij het opvoeden van de eigen kinderen.
3. Seksuele problemen. Seksuele toenaderingen van de partner roepen meteen onaangename herinneringen op aan het misbruik. Bij sommigen is er sprake van afkeer van partners en aanrakingsangst. Eigen kinderen worden heel angstig gemaakt voor mogelijk misbruik.
4. Gezondheidsklachten. Soms ontstaan lichamelijke problemen, zoals hoofdpijn, buikklachten, rugpijn, maagklachten, hyperventilatie, zonder dat daar een aanwijsbare lichamelijke oorzaak voor is.

Hoe gaan politie en de hulpverlening om met seksueel misbruik?

Politie.
Slachtoffers van seksueel geweld kunnen op het politiebureau terecht om te vertellen wat er gebeurd is. Dit betekent niet dat er per se aangifte gedaan hoeft te worden. De politie heeft mede tot taak om een slachtoffer goed op te vangen.
In principe maakt een informatief gesprek altijd deel uit van de opvang door de politie. In dit gesprek vertelt ze onder meer over de juridische mogelijkheden en de vereisten voor het doen van een melding of een aangifte. Ook beschikt de politie over adressen in de regio waar het slachtoffer hulp kan krijgen.

Melding
Bij een melding van seksueel geweld wordt er door de politie geen proces-verbaal opgemaakt. Dit betekent dat het vervolg, een politieonderzoek, achterwege blijft. Er vindt dus ook geen strafrechtelijke vervolging van de dader plaats.
Een melding kan ook door iemand anders dan het slachtoffer worden gedaan. Het is bovendien mogelijk een anonieme melding te doen: het is namelijk niet verplicht om naam en adres van het slachtoffer op te geven.
Voor de politie is het belangrijk dat seksueel geweld in ieder geval gemeld wordt. Deze informatie kan van belang zijn, als er andere aangiften of meldingen over dezelfde verdachte bij de politie binnenkomen.

Aangifte
In het geval van aangifte van seksueel geweld stelt de politie hiervan een verklaring op, die door het slachtoffer moet worden ondertekend. Op basis van deze verklaring wordt een proces-verbaal opgemaakt. Voor het politieonderzoek is het belangrijk dat het slachtoffer zo veel mogelijk details vertelt van wat er gebeurd is. De rechercheur zal erom vragen. Nadat de politie een verklaring heeft opgesteld kan deze worden ondertekend.

Verjaringstermijn
Voor de bewijsvoering is het het beste dat er zo snel mogelijk aangifte wordt gedaan. De dader kan nog in de buurt zijn en er zijn misschien nog sporen. Maar het heeft zeker ook zin om aangifte te doen lange tijd na het gebeurde. Vooral slachtoffers van incest hebben soms jaren nodig voor ze aangifte kunnen of durven doen.
Slachtoffers van seksueel geweld kunnen nog jaren na het gebeuren aangifte doen. De termijn is bij aanranding twaalf jaar en bij verkrachting vijftien jaar.
Een minderjarige heeft nog meer tijd om aangifte te doen. De verjaringstermijn begint pas te lopen op het moment dat het slachtoffer achttien jaar is geworden. Op deze termijnen geldt één uitzondering.
Wanneer de aanrander of verkrachter op het moment van het plegen van het delict jonger is dan achttien jaar, dan wordt de verjaringstermijn met de helft bekort. Voor aanranding is de termijn in dat geval zes jaar en voor verkrachting zeveneneenhalf jaar. Gaat het echter in dit uitzonderingsgeval om een minderjarig slachtoffer, dan wordt de leeftijdsgrens waarop de dader in aanmerking komt voor halvering van de verjaringstermijn teruggebracht van achttien naar zestien jaar.

Het politieonderzoek
Na de aangifte begint het politieonderzoek. De rechercheur gaat op zoek naar bewijsmateriaal. Hiervoor kan medewerking van het slachtoffer worden gevraagd. Als een onderzoek als te aangrijpend wordt ervaren, mag deze medewerking weigeren.

Bewijsmateriaal
Bij het vergaren van bewijsmateriaal zal de politie vooral baat hebben bij informatie uit medisch onderzoek, verklaringen van getuigen en aanvullende bewijsstukken.
Informatie verkregen uit medisch onderzoek is belangrijk. Gegevens uit dat onderzoek mogen alleen voor het politieonderzoek gebruikt worden, als het slachtoffer hiervoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.
Voor de bewijsvoering kunnen ook allerlei andere bijzonderheden van belang zijn, zoals scheuren in de kleding, (politie)foto's van het opgelopen letsel en bloed- en spermavlekken.
Ook verklaringen van getuigen die iets gezien of gehoord hebben, zijn waardevol. Meestal waren er op het moment zelf geen getuigen. Daarom zijn getuigen die het slachtoffer kort nà het gebeuren hebben gezien of gesproken, ook belangrijk.

Verloop van het onderzoek
Indien het slachtoffer er prijs op stelt, wordt hij of zij door de politie op de hoogte gehouden van het verloop van het onderzoek.
Het is mogelijk dat de rechercheur het onderzoek niet rond krijgt, bijvoorbeeld omdat de dader niet opgespoord kan worden, of omdat er onvoldoende bewijsmateriaal te vinden is.
Waarschijnlijk besluit de politie dan om de zaak te laten rusten. Dit wil dus niet zeggen dat de politie het slachtoffer niet gelooft. Ze gaan er in principe vanuit dat het verhaal waar is, maar ze kan hiervoor geen of te weinig juridisch bewijs leveren. In dat geval komt het niet tot een rechtzaak. Als het slachtoffer daarover een andere mening heeft, kan hij of zij dit kenbaar maken bij de behandelend rechercheur, bij diens chef of een laatste instantie bij de officier van justitie.

De verdachte
In veel gevallen is de dader een bekende van het slachtoffer. Als de dader een onbekende is, kan de politie vragen foto's van mogelijke verdachten te bekijken en een signalement van de dader te geven. Nadat de vermoedelijke dader is aangehouden, wordt het slachtoffer vaak verzocht naar het bureau te komen om te kijken of het de verdachte herkent. Dit gebeurt met een confrontatiespiegel, een spiegel waar aan één kant doorheen gekeken kan worden: het slachtoffer ziet wel de verdachte, maar de verdachte ziet alleen zijn eigen spiegelbeeld.

Afronding van het onderzoek
Als de recherche het onderzoek heeft afgerond en vindt dat er voldoende bewijsmateriaal tegen de verdacht is, wordt het dossier doorgestuurd naar de officier van justitie.

Wat doet justitie met plegers van seksueel misbruik?
Als de officier van justitie het misbruik niet zo ernstig vindt of onvoldoende bewijs heeft, kan hij de zaak seponeren, dat wil zeggen: de verdachte niet verder vervolgen. Bij ernstige feiten legt de rechtbank een boete, een taakstraf of een gevangenisstraf op. De gemiddelde duur van de gevangenisstraf is, na een forse toename tussen 1985 en 1995, nadien in totaal vrij constant gebleven, te weten ongeveer 530 dagen. De duur van straffen voor incest / ontucht met kinderen 'onder gezagsverhouding' is sinds 1994 fors toegenomen, namelijk van 367 dagen naar 583 dagen, terwijl de gemiddelde duur van gevangenisstraf voor overige zedendelicten met minderjarigen afnam.
Soms legt de rechter een voorwaardelijke gevangenisstraf op, maar verbindt daar een voorwaarde aan, bijvoorbeeld een contactverbod, een psychotherapeutische behandeling of begeleiding door de reclassering. Bij zeer ernstige vormen van misbruik waar een straf van minimaal vier jaar voor staat, kan de rechter TBS (terbeschikkingstelling) opleggen. Dat doet hij als blijkt dat de pleger vanwege een psychische stoornis niet of verminderd toerekeningsvatbaar was en als de kans op herhaling groot is.
Tbs houdt in dat de dader wordt behandeld in een beveiligde psychiatrische (tbs- }kliniek net zolang totdat hij weer veilig in de samenleving kan terugkeren. Het gaat meestal om pedoseksuelen met een persoonlijkheidsstoornis. Als de behandeling aanslaat zal de dader zijn vrijheid stukje bij beetje terugkrijgen: eerst wandelverlof dan weekendverlof,later proefverlof en uiteindelijk voorwaardelijk en definitief ontslag.
Berucht zijn de berichten over terbeschikkinggestelden die tijdens hun proefverlofweer een ernstig misdrijf pleegden. Het zijn uitzonderingsgevallen maar dat risico valt niet geheel uit te sluiten. De terbeschikkinggestelden moeten immers, indien verantwoord, weer worden voorbereid op de terugkeer in de maatschappij. De meesten plegen na hun vrijlating niet opnieuw seksuele delicten.

Hulpverlening.

Het Bureau Vertrouwensartsen (BVA)
Sinds de jaren zeventig bestaan deze bureaus in verschillende plaatsen. Inmiddels is er een landelijk dekkend netwerk. Zij willen een laagdrempelig meldpunt zijn voor particulieren en beroepsbeoefenaren en verrichten meestal zelfstandig onderzoek om na te gaan of het vermoeden juist is. De BVA’s proberen de problemen via vrijwillige hulpverlening op te lossen. Als het echter in het belang van het welzijn en de veiligheid van het kind is wordt justitie ingeschakeld.
De Raad voor de Kinderbescherming
De Raad heeft taken bij meldingen van seksueel misbruik. Vooral als het vermoeden bestaat dat het is gepleegd door of met medeweten van ouders of andere gezinsleden. De Raad onderzoekt onder meer of tot een kinderbeschermingsmaatregel moet worden overgegaan, die door de rechter via een procedure kan worden opgelegd. De uitvoering daarvan ligt bij instellingen voor (gezins)voogdij.
De belangrijkste maatregelen zijn:
• Ondertoezichtsstelling (OTS): als een kind met ‘zedelijke of lichamelijke ondergang wordt bedreigd’ kan deze maatregel worden opgelegd. Er wordt een gezinsvoogd aangesteld die over het welzijn van het kind waakt en de ouders ondersteunt bij de opvoeding. Een OTS wordt uitgesproken voor maximaal een jaar, maar kan door de kinderrechter steeds worden verlengd.

• Ontheffing of ontzetting van de ouder(s) uit de ouderlijke macht: de ouders raken het gezag kwijt over het kind. Van ontheffing is sprake als de ouders het gezag vrijwillig opgeven. Voor ontzetting is geen instemming van de ouders nodig. Aan deze maatregel is geen termijn verbonden. Meestal houden ze in dat het kind uit huis wordt geplaatst en in een pleeggezin of instelling voor jeugdhulpverlening wordt geplaatst.
Als de Raad een melding krijgt van seksueel misbruik waar een jongere tussen de twaalf en zestien jaar bij is betrokken, is deze klacht gerechtigd.
In enkele regio’s bestaat een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling . Deze meldpunten werken steeds meer samen met het BVA, De Raad voor de Kinderbescherming en hier en daar met de politie.

Andere hulpverleningsinstellingen
Er zijn verschillende andere mogelijkheden van (vervolg)hulpverlening. Zo wordt praktische hulp verleend door Jongeren Advies centra (JAC). Zij helpen jongeren bij het vinden van onderdak en het regelen van een eigen inkomen. Diverse (algemene) organisaties bieden ouders hulp bij de opvoeding van hun kinderen, door hulp aan huis, maar ook door het aanbieden van een tweede opvoedingsmilieu zoals medische kleuterdagverblijven (MKD’s) en de Boddaerthuizen.
Verschillend ambulante (jeugd)hulpverleningsinstellingen, zoals het FIOM en de RIAGG, bieden aparte hulp voor seksueel misbruikte jongeren, op individuele basis of via verwerkingsgroepen voor jeugdigen.
Seksuele kindermishandeling kan het hele gezin ontwrichten. Verschillende instellingen bieden hulp aan voor moeders van seksueel misbruikte kinderen. Zeker als haar partner de pleger blijkt te zijn kan de moeder in een heel moeilijk parket komen. Bij seksueel misbruik door familieleden is ook het op gang brengen van hulp aan de dader van wezenlijk belang voor het welzijn van het jeugdige slachtoffer.
Het hulpaanbod is heel divers, maar tegelijkertijd ook heel ingewikkeld. Daarom wordt op regionaal niveau een toegangspoort voor de jeugdzorg opgezet: de regionale Bureaus Jeugdzorg.
Niet alleen de samenwerking binnen de hulpverlening krijgt steeds meer vorm, maar ook die tussen hulpverlening en justitie, bijvoorbeeld in de vorm van incestconsultatieteams, consultatieadviesteams of scenarioteams. Zij werken volgens het meersporenprincipe. Er wordt bij seksueel misbruik door familieleden een aanbod gedaan aan alle betrokkenen: aan het slachtoffer, de pleger en andere familie- of gezinsleden.
Het komt zeker de laatste jaren regelmatig voor, dankzij de grotere aandacht voor seksueel misbruik van kinderen, dat slachtoffers op latere leeftijd, als zij inmiddels volwassen zijn, naar buiten treden met hun ervaringen en hulp zoeken.
Instellingen die naar verhouding vaak te maken krijgen met de eerste opvang van slachtoffers van seksueel misbruik zijn de politie, Bureaus voor Slachtofferhulp, telefonische hulpdiensten, de huisarts en de GGD en het Algemeen Maatschappelijk Werk (AMW).
Soms is het nodig dat een slachtoffer na de eerst opvang wordt doorverwezen naar vervolghulp. Een goede ingang daarvoor kunnen de RIAGG’s zijn. In een aantal regio’s zijn regionale steunpunten seksueel geweld actief. Zij verlenen niet zelf hulp, maar ondersteunen andere bij het verlenen van hulp.
Ook bij volwassen slachtoffers is het weer belangrijk dat de hulpverlening wordt afgestemd op het optreden van de politie en het openbaar ministerie, als er tegelijk met de behandeling een opsporingsonderzoek loopt.
 
Ook vrouwen plegen zedenmisdrijven

Naar op kinderen gerichte zedendelinquentie van vrouwen en meisjes is tot dusver weinig onderzoek gedaan. Sommigen gruwelen van de gedachte en denken dat het niet kan bestaan. Maar onderzoeksters van de Vrije Universiteit Amsterdam weten beter: vrouwen en meisjes plegen wel degelijk zedenmisdrijven en waarschijnlijk komt dat meer voor dan bekend is. De stand van zaken tot dusver.

Over zedenmisdrijven van vrouwen, laat staan van meisjes, is niet veel bekend.

Slotboom: ‘Nee, wij proberen dat nu wat in kaart te brengen. Maar er is nog heel veel te onderzoeken.’

Vrouwelijke zedendelinquenten zijn ook een heel kleine minderheid, zeker naar de justitiedossiers gekeken.

S: ‘Er is natuurlijk altijd een dark number, lang niet alles wordt bekend bij justitie. Er speelt hier trouwens een aantal bijzondere omstandigheden die dat in de hand werken. De slachtoffers zijn vaak jonge kinderen en die doen niet zo snel aangifte, die kunnen het vaak niet eens uitspreken. Mannelijke slachtoffers zullen niet zo gauw aangifte doen als zij seksueel zijn lastiggevallen door vrouwen, dat is natuurlijk niet stoer.’

Wijkman: ‘Ook hebben wij het idee dat vrouwelijke zedendelinquenten soms gericht, doelbewust op zoek gaan naar wat zwakkere, minder begaafde slachtoffers.’

Miriam Wijkman en Anne-Marie Slotboom 

Miriam Wijkman (l.) en Anne-Marie Slotboom (r.) Afbeelding: © Jaap Barneveld

Hebben we te maken met een topje van de ijsberg?

W: ‘Veel misbruik vindt plaats binnen het gezin door vader en moeder samen. Als alleen vader misbruikt, heeft de moeder nog de signalerende functie. Die kan zeggen: hé, hier klopt iets niet, we gaan naar de politie. Maar als de moeder in dat misbruik participeert, is voor dat kind de laatste vluchtweg afgekapt. Dan is er soms een oplettende juf of tante, maar als moeder meedoet wordt het natuurlijk veel minder snel opgepikt.’

Kan het niet zijn dat als je als kind op jonge leeftijd door je ouders seksueel wordt benaderd, dat je dan denkt dat het gewoon zo hoort, dat het een normale omgangsvorm is?

S: ‘Ik denk het wel, dat kan vrij ver doorgaan. Tot bij kinderen van tien, elf jaar die gewoon niet beter weten en zich zo ook gedragen omdat zij denken dat hun ouders dat van hen verwachten.’

Als de man de dader is en de vrouw weet het, maar doet niets, wordt zij dan door justitie als mededader geregistreerd?

W: ‘Dat hangt af van wat het kind aangeeft. Als die zegt: mijn moeder was er niet bij maar heeft er van moeten weten, dan kan de vrouw vaak als medeplichtig worden gezien, dan heeft zij ontucht bevorderd. Dan heeft zij een passieve rol door bijvoorbeeld de andere kant uit te kijken. Dat kan strafrechtelijk relevant zijn.’

Jullie hebben bepaalde prototypes van vrouwelijke zedendelinquenten bedacht (zie kaders). Hoe hebben jullie dat gedaan?

W: ‘Wij hebben de strafdossiers geanalyseerd en zo van 111 vrouwen alle relevante informatie gescoord. Door middel van een zogenaamde clusteranalyse kom je dan op die vier types, die overigens in elkaar kunnen overlopen. Zo krijg je de “jonge aanranders”, jongere vrouwen die bijvoorbeeld in oppassituaties alleen het kind betasten of tegen zijn wil kussen. En dat is echt iets anders dan de “verkrachters”, die ouder zijn en ook echt penetreren. Die doen dat vaak niet uit een seksueel motief, maar uit agressie of woede; dat jij nu een keer macht kunt uitoefenen over je slachtoffer. Vaak zijn zij zelf in hun jeugd verwaarloosd of misbruikt. Terwijl je bij die “babysitters” meer iets ziet van het spannende en verkennende, die vinden dat toch wel leuk of lekker. Wat bij die groep verder het achterliggende motief is, weten wij niet.’

4 prototypes vrouwelijke zedendelinquenten

Type 1: de jonge aanranders

Zelfstandig opererende vrouwen zonder persoonlijkheidsstoornis die ontuchtige handelingen plegen in de sfeer van betasting en/of orale seks. Het misbruik vindt vaak plaats in oppassituaties. Het gaat veelal om een mannelijk slachtoffer dat familie is van de dader.

M., een 23-jarige vrouw van Surinaamse afkomst, is bij haar tante in Nederland komen wonen en heeft diverse malen ontuchtige handelingen gepleegd bij haar neefjes. Dit gebeurde als M. op de kinderen van haar tante moest passen. Ze wilde, zoals zij verklaart, een neefje leren wat hij met een meisje moest doen op het gebied van seks. Deze ‘sekseducatie’ bestond onder meer uit het knijpen in en zuigen aan de penis van haar neefje en het wrijven van haar vagina over het ontblote lichaam van haar neefje. Als het neefje van M. tegensputterde, maakte zij gebruik van fysiek geweld.

Type 2: de verkrachters

Hier gaat het om gemeenschap en penetratie bij doorgaans wat oudere slachtoffers. Dikwijls worden niet-familieleden misbruikt. De daders zelf zijn in hun jeugd extrafamiliaal misbruikt.

A., een 26-jarige vrouw, liep met haar boodschappen terug naar haar flat. Voor haar flat waren twee – haar onbekende – jongens aan het spelen (elf en vijftien jaar). Zij vroeg hun haar te helpen de zware boodschappen naar binnen te dragen. In haar huis, waar nog meer kinderen aanwezig waren (nichtjes en neefjes van A.), greep zij de elfjarige jongen bij zijn penis. Vervolgens nam A. beide jongens mee naar een kamer alwaar zij zich ontkleedde, haar borsten en vagina toonde, en zich weer aankleedde. Daarna nam zij de oudste jongen mee naar een andere kamer, waar zij de jongen en zichzelf opsloot in een kast, zijn penis beetpakte, ermee speelde en in haar vagina deed inbrengen.

Type 3: de psychisch belaste medeplegers

Er is sprake van psychologische en/of psychiatrische stoornissen. Het zijn wat oudere vrouwen die het delict samen met een of meer anderen plegen. Het slachtoffer kan het eigen kind zijn, maar ook een neefje/nichtje of buurjongen/-meisje. Het betreft ontucht, maar ook gemeenschap en penetratie. De daders zijn lang niet allemaal zelf misbruikt.

S., een 42-jarige Zuid-Europese vrouw, heeft zich samen met haar man en de buren meerdere malen schuldig gemaakt aan vergaand seksueel misbruik van haar eigen kinderen en kinderen uit de buurt (leeftijden tussen de vijf en dertien jaar). Ze lokte de kinderen uit de buurt – zowel jongetjes als meisjes – met snoep naar haar huis. S. en haar man hadden onder meer seks in aanwezigheid van de buurtkinderen; de kinderen werden betast en moesten S. vingeren. De buurtkinderen werden ook uitgelokt tot het hebben van seks met de twaalfjarige stiefzoon van S. De vrouw is ook opzettelijk behulpzaam geweest bij het misbruiken van haar eigen zesjarige dochter. S. is overigens vroeger zelf niet seksueel misbruikt.

Type 4: de passieve moeders

Deze zitten in de hoogste leeftijdscategorie. De vrouwen kijken toe bij het misbruik van het kind en/of verschaffen gelegenheid daartoe. Zij spelen geen actieve rol. Het misbruik betreft hun eigen (stief)kinderen die tamelijk jong zijn (zeven tot elf jaar).

C., een 46-jarige vrouw, opgegroeid in een actief geloofsbelijdend gezin waar nooit seksuele voorlichting is gegeven, heeft haar tweede man haar twee kinderen stelselmatig laten misbruiken. Haar man heeft seksuele handelingen verricht bij haar dochter van acht jaar en haar zoon van elf jaar onder het mom van seksuele voorlichting. De activiteiten bestonden onder meer uit het gezamenlijk bekijken van pornofilms en zichzelf bevredigen, het betasten en bevredigen van de beide kinderen door de man, het aftrekken van de zoon door de man en het aftrekken van de man door de dochter. Dit alles gebeurde in het bijzijn van en met goedvinden van C.

De beschreven vier prototypes vrouwelijke zedendelinquenten zijn – ingekort – overgenomen uit een publicatie in het Tijdschrift voor Criminologie (2008).

In circa de helft van de onderzochte zaken is sprake van verkrachting of verboden gemeenschap, met name omdat het slachtoffer te jong is. In die gevallen wordt er dus gepenetreerd. Hoe en waarmee doen vrouwen dat?

S: ‘Met allerlei voorwerpen of met de vinger; of een combinatie daarvan.’

Bij mannelijke verkrachters kun je je bij penetratie iets voorstellen van een seksueel motief. Hoe zit dat bij vrouwen? Die komen toch niet aan hun gerief door te penetreren?

S: ‘Een interessante vraag. Voor de dader moet je het motief misschien zoeken in het uitoefenen van geweld, wraak of macht. Maar voor het slachtoffer is het seksueel geweld. Dat is het verschil. Overigens, bij mannelijke slachtoffers ligt het anders. Dan kan er zeker sprake zijn van een seksueel motief bij de dader. Uit zeer recent zelfrapportage-onderzoek bij meisjes en jongens blijkt dat ook meisjes het nodige voor elkaar krijgen en prima in staat zijn om jongens in fysieke zin of op een andere manier tot seksuele handelingen te brengen. Tien procent van de onderzochte meisjes geeft aan iets dergelijks op hun kerfstok te hebben, tegen achttien procent van de jongens.’

Nogal wat daders zijn zelf in hun jeugd verwaarloosd, mishandeld of misbruikt. Dat komt steeds terug?

W: ‘Bij de vrouwen is ongeveer dertig procent zelf seksueel misbruikt. Bij de meisjes lijkt dat nog hoger te liggen, maar daar hebben wij, behalve het eerder verrichte kwalitatieve onderzoek in 2007, nog geen valide informatie over.’

Bij meisjes lijkt seksueel misbruik meer een variant te zijn van algemeen agressief gedrag naar anderen; bij vrouwen kan het meer een eigen motief of oorsprong hebben. Is die indruk correct?

W: ‘Dat weet ik nog niet. Ook bij vrouwen zie je wel dat seksueel misbruik mogelijk een bijproduct is van alle ellende die zij hebben meegemaakt. Dat ze iemand gaan misbruiken komt vaak echt niet zomaar uit de lucht vallen. Er is vaak een verklarende context.’

Feiten over vrouwelijke zedendelinquentie

  1. Zedendelinquentie bij vrouwen en meisjes komt aantoonbaar voor, zij het in veel mindere mate dan bij mannen en jongens;
  2. Vrouwelijke zedendaders zijn relatief zwaar belast in termen van voorgeschiedenis en psychosociale problematiek;
  3. Vrouwen/meisjes maken vaak kindslachtoffers, zowel onder jongetjes als onder meisjes;
  4. Vrouwen plegen het zedendelict relatief vaak in een samenwerkingsverband, met name met de mannelijke partner; meisjes doen dat in groepsverband;
  5. Seksueel misbruik in hun voorgeschiedenis komt bij meisjesdaders aanmerkelijk meer voor dan bij vrouwendaders;
  6. Een aanmerkelijk deel van de vrouwen pleegt het delict ‘in hun eentje’ bij relatief ver van hen afstaande slachtoffers; echte verkrachting en geweld zijn geen uitzondering;
  7. Lang niet alle vrouwen voldoen aan het beeld van de zwakke, misbruikte vrouw die door haar partner in het seksueel misbruik wordt meegesleept;
  8. Vrouwelijke zedendelinquenten vormen een heterogene groep; in lichte mate is een aantal prototypes aanwijsbaar;
  9. Het onderzoek naar vrouwelijke zedendelinquenten beslaat de bij justitie bekende populatie van de afgelopen tien jaar. Waarschijnlijk is er een aanzienlijk dark number en is het probleem dus ernstiger;
  10. Nader onderzoek is geïndiceerd, met name naar de contextuele omstandigheden van het delict en de recidive-risico’s.
     

Bij seksueel misbruik door jongens kan dat een manier zijn om je mannelijkheid te bewijzen, of gewoon stoerdoenerij.

S: ‘Wij weten nog niet zo goed hoe dat bij meisjes zit. Er zijn gevallen bekend dat een meisje meedoet met een groepje jongens en dan een ander meisje lastigvalt, omdat dat een vriendje van haar heeft afgepikt.’

Is er meer bekend over het verschil tussen vrouwelijke en mannelijke zedendelinquenten?

S: ‘Nauwelijks. Er is wel een algemene notie dat seksueel normoverschrijdend gedrag meer iets van jongens en mannen is dan van meisjes en vrouwen. Dat kan maken dat in het laatste geval men sneller naar algemene – meer psychologische – stoornissen gaat zoeken. Dat het wel erger zal zijn. En dat het ook wel zielig is. Zo van: als een vrouw dat doet, dan moet er wel van alles mis zijn.’

W: ‘Daar zouden wij ook wel van afmoeten, dat wij zo’n vrouw meteen in de slachtofferrol drukken. Want lang niet al die vrouwen hebben stoornissen. En ze zijn ook niet allemaal gek of zielig.’

Zaten er in dat onderzoek van 111 vrouwen ook gevallen van pure seksuele lustbeleving?

W: ‘Een paar. Dat vrouwen echt genoten van seks met hun kind of dat zij opgewonden raakten van het zien dat hun man seks had met hun dochter. Maar aan deze aspecten wordt tijdens het opsporingsonderzoek weinig aandacht besteed. Dat is ook wel logisch, want dat is niet relevant voor de strafrechtelijke afhandeling van de zaak.’

zedenmisdrijf 

Afbeelding: © Jaap Barneveld

Wat moet nu verder onderzocht worden op dit terrein?

W: ‘De achterliggende motieven bij die vrouwen. En de aangewezen behandelwijzen. Het is een kleine groep. In Amerika is er wel onderzoek naar gedaan, maar internationaal is dat toch heel moeilijk te vergelijken vanwege allerlei definitiekwesties. Over bijvoorbeeld de teacher/lover-relatie is veel te doen daar, maar hier kennen wij dat nauwelijks. En wij gaan een vervolgonderzoek doen naar meisjes die bij justitie zijn geweest; die dossiers gaan we uitpluizen. Van 1994 tot 2008 hebben we zo’n honderd zaken. We denken al wel dat men bij meisjes veel alerter is dan bij volwassen vrouwen; bij die laatste groep wordt al gauw gekeken of de man ook al is opgepakt en dan richt men de pijlen ook op hem. Vrouwen die seksueel misbruiken doen dat in bijna de helft van de gevallen samen met een of meerdere mannen. Bij meisjes is dat heel anders, die doen het in groepjes, niet met een partner.’

Hoe zit het met het initiatief of de lijdelijkheid van die vrouwen die met hun partner misbruiken?

W: ‘Dat wisselt. Soms is de fysieke kracht van een man nodig om het kind te kunnen overweldigen. En soms laten vrouwen zich onder psychische druk zetten, zijn ze makkelijk beïnvloedbaar. Maar er is ook een groep vrouwen die zelf initiatief nemen en er helemaal niet passief in zitten.’

Vrouwelijke zedendelinquenten, een mediagevoelig onderwerp?

S: ‘Heel erg. Mensen worden soms al boos als zij horen dat wij er onderzoek naar doen. Want “dat doen vrouwen toch niet?”’
W: ‘Komt bij dat bijna al die vrouwen ook “moeders’” zijn. En jouw moeder hoort je te beschermen en dus tast zo’n idee dat beeld heel erg aan.’

Heel deep down is er toch de notie dat mannen de viespeuken zijn en dat vrouwen daar last van kunnen hebben…

S: ‘Precies, maar het kan dus ook anders liggen. Dat is waar het in dit onderzoek over gaat. En dat is een idee waaraan het moeilijk wennen is en dat veel emoties kan oproepen. Ook negatieve.’

Is er iets bekend over de recidive? Bij mannen heb je de mythe van de onverbeterlijke pederast.

S: ‘Wij zagen heel weinig recidive. Bij zedendelinquentie in het algemeen is de recidive trouwens relatief laag. Bij mannen hoger dan bij jongens; daar is het zo’n tien procent. En bij meisjes en vrouwen nog minder, wij zagen het slechts in twee gevallen.’

Tot slot voor onze lezers: kunnen wij onze kinderen nog wel veilig naar de crèche brengen?

W: ‘Dat kan zeker. Maar wat ons onderzoek laat zien is dat het dus niet alleen mannen zijn die seksueel misbruiken, vrouwen doen het ook. Dat is zo met crècheleidsters, maar ook met babysitters en met moeders. Je moet altijd goed op de signalen van het kind letten en verder je gezonde verstand gebruiken.’

S: ‘Maar de kans blijft klein, want er zijn niet veel vrouwelijke zedendelinquenten, echt minder dan mannelijke. De kans dat je kind een ongeluk krijgt is vele malen groter.

Auteurs

Wim van de Pol en Archie Barneveld

Gepubliceerd door

Dit is een achtergrondartikel van Crimelink